ROBBERT DIJKGRAAF

print
Robbert Dijkgraaf

Sandberg Instituut | Robbert Dijkgraaf (1960)

Robbert Dijkgraaf is sinds 1992 hoogleraar mathematische fysica aan de Universiteit van Amsterdam. Hij studeerde Natuur- en Wiskunde in Utrecht, en (na een intermezzo van een jaar schilderkunst aan de Rietveld Academie) promoveerde hij in 1989 bij Gerard 't Hooft. Eind 2003 ontving hij de prestigieuze Spinozaprijs.
Zijn onderzoeksgroep aan de Unversiteit van Amsterdam richt zich op snarentheorie, quantum-zwaartekracht en mogelijke interfaces tussen wiskunde en deeltjesfysica. Dijkgraaf is in dit veld een internationaal toonaangevende wetenschapper.

Dijkgraaf ziet het Sandberg Instituut, zijn Vrije Ruimte, als een plek die zeer veel aanknopingspunten met de Zuidas heeft en zich op niveau bezig houdt met de ontwikkelingen in de beeldende kunsten. Hij omschrijft het Sandberginstituut als goede ontmoetingsplaats waar mensen bijzonder open staan en omschrijft de plek als een klein pareltje.
Hij heeft een drietal lezingen gehouden voor studenten en geïnteresseerden waarbij de belangstelling overweldigend was. De lezingen, waarvan de onderwerpen respectievelijk ‘tijd’, ‘niets’ en ‘kleur’ waren, maakten veel los. Het is hem gebleken dat een relatief groot aantal jonge kunstenaars zich door vormen van wetenschap laat inspireren, maar zij hebben de klok horen luiden en weten niet precies waar de klepel hangt. Dijkgraaf wil helpen hier inhoudelijk mee verder te gaan. Wat hem verder opviel is het feit dat veel kunststudenten als het ware door een filter kijken: ze pikken vooral datgene op waarvan ze denken dat ze dat voor zichzelf kunnen gebruiken. Zij treden met andere woorden niet snel buiten de eigen patronen: hoe verder een onderwerp afstaat van de kunstenaar, hoe minder men daarmee aan de slag wil. Voor wetenschappers is dat precies andersom.


Kunst, wetenschap en verwondering
Robbert Dijkgraaf

Wat is de relatie tussen kunst en wetenschap? Deze vraag kan op vele verschillende niveaus gesteld en beantwoord worden: abstract, historisch, academisch. Er zijn zo veel overeenkomsten, verschillen en parallellen, genoeg om een boekenkast vol beschouwingen over te schrijven. Maar ik werd geraakt door een heel directe praktische overeenkomst toen ik voor het eerst werd rondgeleid door het Sandberg Instituut, een postdoctorale kunstopleiding geaffilieerd aan de Gerrit Rietveld Academie.

Ik was al gewaarschuwd dat dit instituut misschien niet aan mijn traditionele beeld van een kunstacademie zou beantwoorden. Het Sandberg Instituut is gevestigd in een verlaten klooster. Er zijn geen ezels, houtskoolschetsen of sokkels te zien. Er wordt nauwelijks geschilderd of andere conventionele kunstvormen bedreven. De meeste studenten maken gebruik van moderne media zoals installaties, video of computeranimaties. Of ze zijn in conceptuele kunst geïnteresseerd en gebruiken hun atelier als productiehuis. Die studenten komen trouwens uit de hele wereld: China, Rusland, Israël, Oost-Europa. Alle discussies en lezingen zijn dan ook in het Engels (dat had deze tekst dus ook moeten zijn). De bibliotheek bevat nauwelijks kunstboeken, zeker niet van het traditionele soort — het internet is veel belangrijker. En de studenten houden er een onregelmatig rooster op na. Op ieder moment van de dag en de nacht kan je ze zien werken.

Het trof me direct hoe dit instituut als twee druppels water lijkt op mijn eigen instituut voor theoretische fysica aan de Universiteit van Amsterdam. Dezelfde afbraakarchitectuur, rommelige kamers, internationale mix van studenten en docenten, afhankelijkheid van moderne communicatietechnieken. Als ik daar door de gangen loop zie ik ook daar dezelfde jonge mensen dag en nacht naar computerschermen staren. En wat is meer conceptueel dan nadenken over de fundamentele wetten van de kosmos? Zou een buitenaards wezen dat geheel onvoorbereid op aarde landt, het verschil kunnen zien tussen een jonge kunstenaar en een theoretisch fysicus? Zijn de wiskundige krabbels op de schoolborden van mijn natuurkundestudenten zo heel anders dan de schetsen van de jonge kunstenaars?

Ook al is er een praktische verwantschap, in de publieke beleving is er een enorme afstand tussen de domeinen van kunst en wetenschap.

Voor de rol van de wetenschap in onze samenleving wordt direct verwezen naar het grote maatschappelijk nut. Innovatie, de motor van de economie, dat zijn de modewoorden. Inderdaad, het is moeilijk je een leven voor te stellen zonder de verworvenheden die de laatste paar eeuwen wetenschap hebben opgeleverd. We zouden letterlijk in de donkere dagen van de middeleeuwen terugvallen. Zonder licht, zonder vervoer, zonder communicatie, zonder gezondheidszorg, zonder vermaak. Het spectaculaire succes van de wetenschap en de daaruit voortvloeiende techniek is de grote kurk waar onze samenleving op drijft. Wetenschap en techniek hebben zich tot in de kleinste details van ons leven genesteld. Van broeikaseffect tot SARS epidemie, van het ozongat tot verkiezingen.

Aan de andere kant is er de dramatische teruggang in de belangstelling om zich verder inhoudelijk in deze vakken te verdiepen. Niet alleen in Nederland, ook al lopen we binnen Europa hier wel in voorop. En de belangstelling neemt af in alle verschijningsvormen - om in industrie en onderzoek deel te nemen, en, nog belangrijker, om als docent op allerlei niveaus weer anderen enthousiast voor het vak te maken. Een negatieve spiraal waarvan de gevolgen aanzienlijk zullen zijn.

Je kunt je afvragen: gaan de exacte vakken niet de gang van de techniek zelf? Onze computers worden steeds krachtiger, maar de complexe software, al die vervelende en moeizame details, die eindeloze reeks codes worden prettig aan ons zicht ontnomen. Chips worden tegenwoordig ontworpen door chips die op hun beurt weer chips ontwerpen, etc. etc. De moderne gebruiker wil daar allemaal niets van weten en klikt liever op een mooi vormgegeven icoontje dan zich te verdiepen in de details. De nullen en enen zijn helemaal keurig achter het elektronische behang geplakt. Wie wil nog machinetaal leren als je Microsoft tot je beschikken hebt? Gaan de exacte wetenschappen ondergronds? Worden formules de hiërogliefen van onze tijd?

Toch zijn er aspecten van de wetenschap die nauwelijks aan de orde komen en die misschien wel belangstelling kunnen oproepen: creativiteit, verwondering, universaliteit, ontroering. Dit zijn voor mij de kernbegrippen waarin het in de wetenschap om draait. De verwondering over de wereld om ons heen, hoe deze door de natuur en de mens geschapen is. De universaliteit van de ideeën waarin de mens die wereld probeert te begrijpen. De creativiteit die nodig is om dat begrip te bereiken. En, tenslotte, de ontroering die volgt uit dit proces.

In wezen is de mens een (misschien wel uniek) mechanisme waarin een klein gedeelte van de natuur, namelijk die collectie moleculen en hun interacties waaruit wij allen zijn opgebouwd, reflecteert op het universum zelf. Een klein brokstukje van het onmetelijke heelal dat aan introspectie doet. Zoals een kind langzamerhand de omgeving verkent en uit het beschermende schulpje kruipt waarin het geboren is, zo groeit ook ons begrip van de wereld om ons heen.

Zo probeerde in 1800 de Brits-Duitse sterrenkundige Sir Frederick William Herschell de temperatuur van verschillende kleuren licht te onderozeken. Hij splitste daartoe met een prisma een zonnestraal in de kleuren van de regenboog en hield een thermometer in de verschillende kleuren. Hij vond dat het violette licht aan de ene kant van het spectrum het koudst was en het rode licht aan de andere kant het warmst. Dat was al een geweldige ontdekking. Maar toen deed hij iets wat alleen maar een gek of een genie zou doen: hij hield de thermometer naast het rode licht, waar helemaal niets te zien was. En tot zijn verbazing was het daar nog warmer! Herschell had daarmee het infrarode licht ontdekt — een prachtige metafoor voor de rol van de wetenschap als blikopener.

Waar kan deze ruwe emotie van wetenschappelijke ontdekkingen heel direct ervaren worden? Hier ligt in mijn ogen een unieke mogelijkheid voor een samenspel tussen kunst en wetenschap: net als de wetenschapper probeert de kunstenaar zo zuiver mogelijk de persoonlijke impressie van de werkelijkheid te reflecteren. Ik wil dan ook de volgende uitdaging stellen: is het mogelijk in de moderne kunst de ideeënwereld die de moderne wetenschap heeft ontsloten te verbeelden? Is het mogelijk om die verwondering vorm te geven en langs die weg te delen met anderen? Kan ik de onmetelijkheid van het universum of de onvoorstelbare hoeveelheid informatie opgeslagen in het menselijk DNA 'beleven' in een kunstwerk? Is het mogelijk de nieuwste inzichten over ruimte en tijd, of de bizarre wetten die de wereld van de elementaire deeltjes regeren, te gebruiken als inspiratiebron? Dit is de uitdaging die ik de studenten van het Sandberg Instituut wil meegeven.

VRIJE RUIMTEN ARTISTS (AIR)

Editie 4

Editie 3

Editie 2

Editie 1