JASPER WIEDEMAN
jasper-wiedeman.flv
Gemeente Vervoer Bedrijf | Jasper Wiedeman (1963, Amsterdam)
In zijn fotowerk houdt Jasper Wiedeman zich o.a. bezig met botanisch stilleven. In 2002 is hij voor het eerst het materiaal dat hij fotografeert, zelf gaan kweken. Tuinieren werd onderdeel van het werkproces. In eerste instantie is Wiedeman benaderd voor een foto opdracht met als thema de Zuidas. Daarna bleek dat het aanleggen van een tuin, in het kader van de Vrije Ruimten Zuidas, tot de mogelijkheden behoorde. Binnen de Zuidas viel Wiedemans oog op de plek waar de eventuele ondertunneling van het gebied, voor de zuidelijke ringweg en de tram- en spoorlijnen, zal worden aangelegd. Deze strook wordt de hartlijn van de Zuidas, met boven zich ca. 100 meter hoge bebouwing. Deze plek, nu terrein van het GVB, is bijna de Zuidas in het klein. Je kunt hier al enigszins ervaren dat dit de stad van de toekomst is.
Op een klein stukje land, achter personeelsketen van het GVB en bij NS Station Zuid-WTC, omringd door treinen en trams en het voorbijrazende verkeer op de A10 en de oprijzende hoogbouw, legt Jasper Wiedeman een tuin aan - in een serie foto’s zullen dit proces en de resultaten ervan, worden vastgelegd.
Overgeleverd aan de elementen in de Zuidas
Jasper Wiedeman
De ingreep die ik doe op deze plek is vervreemdend en bizar. Als ik aan het werk ben voer ik een soort toneelspel op voor de reizigers die op de perrons er om heen staan te wachten. Vanaf de perrons kun je door het hoogteverschil niet helemaal goed zien wat ik aan het doen ben. Wat zichtbaar is, is een mannetje in een geel veiligheidspak, dat op een vreemde plek aan het rommelen is. Als ik fotografeer is het opeens wel heel concreet. Dan sta ik achter een grote camera vanaf een soort podium te werken.
Het is eigenlijk heel theatraal wat ik op dit terrein, mijn vrije ruimte, aan het doen ben. Het tuinieren is een performance. Een organisch gebeuren dat eigenlijk niet is vast te leggen.
Het willen tuinieren en het wonen in de stad zijn eigenlijk twee onverenigbare dingen. Als je genoeg geld hebt, dan koop je een plek buiten de stad. Ik ben mij ervan bewust dat mijn project ook verwijst naar de verdwijnende volkstuintjes, vaak gelegen langs het spoor en bedoeld voor minder draagkrachtigen.
Terwijl ik aan het spitten en plaggen was, zwaar werk, dat ze nog doen in de derde wereld, realiseerde ik mij dit eens te meer. Hier en daar worden wel landjes gekraakt, en in Amerika heb je een initiatief als de Green Guerrilla die op basis van het idee van community building plekken creëert in de stad waar hele buurten kunnen tuinieren en bezig zijn.
Het tijdelijke tuinieren, wat ik nu doe, is ook een rare tegenstelling. Normaal ben ik bezig met een proces waar ik jaren over doe, nu is het een soort landverhuizers-manier waarop ik bezig ben. Dat fenomeen kennen we in Nederland niet meer. Het fysieke aspect van het werken op deze plek heeft daar ook mee te maken. Het is geen plek waar je eens lekker op een klapstoel onderuit gaat zitten.
Toch is het voor mij niet alleen maar werk om op deze plek bezig te zijn. Het is ook een levensbehoefte. Het gaat over het gevoel verbonden te zijn met de aarde. Want het werken in de grond, het werken met planten, heeft mij teruggebracht naar basale levenskennis die wij als stadsmensen totaal zijn kwijtgeraakt. Het gaat ook over de kennis van planten en hun medicinale werking. Dit werk is heel direct en brengt mij terug naar het zijn, het leven zelf.
Mijn Vrije Ruimte is voor mij een laboratoriumsituatie, want ik heb nog nooit met dit soort omstandigheden te maken gehad. Ik weet bijvoorbeeld niet precies wat voor grond het is. Waarschijnlijk is het opgespoten zeezand, wat betekent dat het heel kalkrijk is, maar ook heel voedselarm en droog. Het is een specifieke situatie en ik weet niet precies wat er gaat gebeuren.
Ik heb drie grote bedden aangelegd en ben nu aan het kijken wat daarin zou kunnen groeien. Leidraad zijn inheemse en adventieve planten, de opportunisten die meegereisd zijn over het spoor. In de grote middencirkel probeer ik een soort omsloten tuin te maken.
Het is bizar en het is onmogelijk dat vast te leggen, maar Mahler4 schiet echt uit de grond. Het is bijna eng, zo snel als dat gaat. Duidelijk is dat mijn handelingen lijnrecht staan tegenover wat er om mij heen gebeurt. Ik ben bezig met kleine bloemetjes tussen de gebouwen die hoog oprijzen. Misschien is het toch niet zo’n grote tegenstelling - ik grijp ook in, alleen op een ander niveau. Ik ben bezig zandkorrels te verplaatsen en bloemetjes te planten die daar misschien wel helemaal niet willen of kunnen groeien. En dan gaan ze dood. Wat materie betreft gaat het dus over hele grote tegenstellingen. Ook het tempo. Het bouwen van een hoog gebouw gaat sneller dan de groei van een plant.
Ik heb ooit in een aanvraag voor dit project geschreven dat ik een gevoel van vervreemding wilde wekken bij de kijker, maar het grootste gevoel van vervreemding krijg ik natuurlijk zelf op mijn dak.
Naast kijken gaat het ook over beleving. Ik wil de mensen bij hun oren pakken en laten kijken naar de grond en zeggen: Kijk nou eens naar dat kleine, ontzettend mooie bloemetje. Als je Christen bent, dan zeg je "dat heeft God je gegeven," als je New Ager bent dan zeg je "dit heeft Moeder Aarde je gegeven," maar het gaat in laatste instantie over het kleine gebaar en de ongelooflijke schoonheid daarvan.
Het is een soort ode, een ritueel dat ik aan het uitvoeren ben, waarbij het gaat over concentratie. Een mier die met zandkorrels aan het slepen is.
Wat betreft het planten moeten we maar zien. Zo direct groeit er helemaal niets. Ik ben overgeleverd aan de elementen, zelfs hier, midden in de Zuidas. En dat is, in deze gecontroleerde omgeving, het mooie.